Woef

Woef

Deze column schreef ik voor Zeistermagazine.nl

Vanaf de tandartsstoel zie ik dat Marcella – de mondhygiënist- binnenkomt. Ze is een roze, gepolijste vrouw met zachte stem: ‘Meneer Schröder, ik ga even kijken hoe uw tandvlees kleurt.’
Nog voor ik toestemming geef drukt ze een ijzeren haak tussen mijn voortanden, peurt ze in mijn tandvlees alsof het een moestuin is.

Waarom vergeet ik altijd dat een mondhygiënist niet tot de groep van masseurs en pedicures behoort? Mensen met zachte handen die voor elk lichaamsdeel een speciale crème of olie hebben die ze minutenlang over je huid wrijven terwijl er op de achtergrond het geluid van vogels boven een IJslands landschap klinkt.

Het omspitten van mijn tandvlees zorgt voor een snerpende pijn die ik niet kan uiten want mijn kinderen zitten erbij en moeten na mij op deze stoel.
Toch zegt ze: ‘Als het teveel wordt doet u even uw arm omhoog’.
Ze weet best: die arm gaat niet omhoog. Als die arm omhoog gaat hebben die twee kinderen daar een trauma. Ik haat haar haak, ik haat haar machtspositie. Onze aankoopmakelaar Youseff deed hetzelfde. Toen hij ons droomhuis binnenliep stak hij zonder te vragen zijn pen in het houtwerk. Wat is dat nou Youseff? Ik betaal toch geld, blijf ervan af. We zaten toch in hetzelfde team?

Terwijl het bloed uit mijn mond tegen het Omikron-spatscherm van Marcella vliegt, zoek ik boven mijn hoofd naar Woef, het enige figuur op de “Waar is Wally” poster die ik in de afgelopen vijf jaar nog nooit heb gevonden. Ook dat weet Marcella. Tijdens het schoffelen kijkt ze de kinderen aan: ‘Als jullie papa Woef vindt, krijgt hij ook een stuiterbal.’

Wally, het kleine mannetje met rood-wit gestreepte trui en muts, is simpel te vinden: in de kerktoren. Tovenaar Wittebaard zit in het blauwe bestelbusje. Wenda, het baasje van Woef staat met een lege hondenriem in de rij voor een ijsje. Zelfs het bot van Woef kan ik met mijn ogen dicht aanwijzen: in de bakfiets van de postbode. Die klote hond is onvindbaar. Ik zie wel een meisje bij een kruispunt. Met een drilboor breekt ze de stoep open; dat meisje wordt later mondhygiënist.

Auw.
Waarom kunnen ze mijn tanden niet insmeren met een zachte crème en valt het tandsteen er na een uurtje meditatie vanaf?

Marcella is klaar. Nu is het mijn beurt: het examen:
‘Flost u uw tanden vaak?’ vraagt ze.
‘Ja, best wel,’ lieg ik.
Ze drukt een spiegeltje in mijn hand: ‘Laat even zien hoe u dit iedere avond aanpakt.’
Vol woede pak ik het houten stokje en steek het tussen mijn bebloede voortanden. Al bij de eerst trekbeweging breekt het af.
‘Zo doet u dat toch niet?’ zegt ze en probeert het resterende stukje hout tussen mijn tanden vandaan te trekken. Het zit muurvast. De tandarts komt binnen.
Ik kom omhoog en geef hem een hand.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt hij.
‘Meneer zijn tandenstoker is afgebroken, het houtje zit vast, ik verwacht V15 bij 21 en 22.’

Terwijl ze samen naar een schematische weergave van mijn gebit kijken zie ik ineens zijn staart. Ik doe mijn hand omhoog.
Ze stoppen met praten: ‘Wat is er?’
‘Woef’, zeg ik, ‘Woef zit onder de auto op het verkeersplein, vlak bij die mondhygiënist met drilboor.’

2 comments

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *